De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind

De aardbei en de liefde. Ze hebben wat met elkaar. Mooi, zacht, zoet en rood.
Maar de aardbei is – het woord zegt het al – aards en de liefde is verheven, tenminste als het echte Liefde is. En daar begint gelijk het probleem. Een aardbei is altijd een echte aardbei, maar wat is echte Liefde? En daarbij, er zijn zoveel soorten liefde; moederliefde, erotische liefde, eeuwige liefde, liefde op het eerste gezicht, liefde voor muziek, zusterlijke liefde, Goddelijke liefde, echtelijke liefde, romantische liefde, eigenliefde, enzovoort, enzovoort. Dan kun je ook nog de liefde bedrijven, maar dat schijnt ook zonder liefde te kunnen.
Liefde is misschien wel het meest overschatte begrip of gevoel in onze cultuur. Geloof, hoop en liefde zijn volgens de Bijbel de zachte krachten waar de wereld op draait, waarvan de liefde de belangrijkste wordt gevonden. Maar wat is werkelijke liefde? Want hoe weet je nou zeker of je ècht van iets of iemand houdt? En wat ìs echt houden van? De liefde blijkt vaak tegenstrijdig en wispelturig.
Hoop lijkt mij een veel krachtiger en positiever begrip, minder besmet met romantiek en maneschijn. Hoop is net zo abstract als de liefde, maar Hoop is wel een motor voor idealisme, verandering en vooruitgang. We hopen altijd dat de wereld beter wordt, ook al zien we tekenen van het tegenovergestelde. Door die hoop leven we en willen we geloven dat “De zachte krachten (zeker zullen) winnen in ’t eind”.

Advertenties

Een lange feestelijke zomer

Parijs

Oude liefde roest (meestal) niet. Dat geldt in ieder geval voor mijn liefde voor Parijs.
Als vierjarige peuter kwam ik na een lange en zeer warme treinreis voor het eerst aan in de Franse hoofdstad, toen nog de informele hoofdstad van heel West-Europa.
Mijn vader moest die zomer langere tijd in Parijs zijn en mijn moeder, ging samen met mijn broertje en mij hem een paar weken gezelschap houden.
De stad maakte een geweldige indruk. De drukte, het licht, de geuren, het eten, de taal, – alles was opwindend anders dan in het destijds suffe Den Haag.
De eerste weken woonden we in een appartement met een soort gemeenschappelijke binnentuin. Hier mochten wij – heel bijzonder – buiten spelen, dat kon in Den Haag nooit, omdat we langs een drukke weg woonden. We leerden onze eerste Franse woordjes en zinnetjes van onze ouders, zodat we contact konden maken met de buurtkinderen, van wie ik me overigens niemand meer kan herinneren. Mijn moeder begon na aankomst het appartement grondig te reinigen, omdat de eigenaren het ‘met de Franse slag’ hadden schoon gehouden.
Op een van de eerste avonden was het al feest. We mochten laat opblijven en gingen naar de lichtjes kijken, waar Parijs beroemd om was.
We wandelden en speelden vaak in de Jardin du Luxembourg en we bekeken de Arc de Triomph en de Eiffeltoren. We kregen ook vaak tantes en ooms te logeren en dan werd er s’avonds wijn gedronken bij het eten, zoals de echte Fransen dat ook deden. Ook gingen we elke dag stokbrood kopen dat we aten met stinkkaas (camembert).
Als mijn moeder in een goede bui was kregen we een chausure pomme; bladerdeeg gevuld met appelmoes.
Ik herinner mij een bezoek aan de Nôtre Dame, waar je toen nog zomaar kon binnenlopen en waarvan het diepe blauw van de glas in lood ramen mij de indruk gaf dat God hier zelf woonde.
Het hoogtepunt van Parijs vond ik de metro, met zijn lange onderaardse gangen, dat rammelende geluid van de treintjes, het gefluit als de deuren dicht gaan en vooral die specifieke stoffige Franse metrogeur, die je nergens anders vindt.
Na meer dan een halve eeuw zijn de metro voertuigen vervangen door zoevende in plaats van rammelende wagons en de stoffige geur is nog maar op enkele oude stations vaag te bespeuren.
Binnenkort ga ik weer enkele dagen naar mijn oude liefde. Ik ga dan zeker die oude stations bezoeken want ik voel me pas echt gelukkig in Parijs als ik die geur weer ruik die herinneringen oproept aan een lange feestelijke zomer.

Zeezwemmen en het verdwijnen van insecten

Zelhem - BraamtZwemmen in zee. Ik heb het tot mijn spijt al heel lang niet meer gedaan. Na een reeks kwallenbeten die ik opdeed  aan de Griekse kust durf ik niet meer. Ook niet meer in de Noordzee, die ik trouwens veel te koud vind.

De toekomst voor het zeezwemmen ziet er intussen somber uit. Door de klimaatveranderingen, waar kwallen zich uitzonderlijk goed aan weten aan te passen, zal hun aantal alleen maar toenemen. En ondanks de opwarming van de aarde, zal het in West-Europa waarschijnlijk alleen maar kouder worden, doordat de warme golfstroom dreigt op te houden met stromen. Zeezwemmen is geen mensenrecht, maar verdrietig is het wel.

Vele andere gevolgen van klimaatverandering zijn echter zo urgent dat bagatelliseren geen optie is. In april werd bevestigd, waar velen al een vermoeden van hadden, namelijk dat het aantal insecten enorm afneemt. Nu klinkt dat in eerste instantie wel prettig. Minder teken, minder wespen, minder oorwurmen en minder andere stekende en kriebelende engerds. Het uitsterven van ijsberen, tijgers en leeuwen is een stuk verdrietiger dan het verdwijnen van de langpootmug of zelfs het lieveheersbeestje. Toch heeft het uitsterven van insecten immens grotere gevolgen dan die van tot de verbeelding sprekende zoogdieren.

Het hele ecosysteem is afhankelijk van insecten. Insecten dienen als voedsel voor vogels en reptielen, die op hun beurt zelf weer tot voedsel van andere dieren dienen. Ze zijn verantwoordelijk voor de bestuiving van het meerendeel van de wilde planten en ze ruimen een hoop – organische- rotzooi uit de natuur op. Kort door de bocht gezegd: Zonder insecten, geen natuur. Dàt is pas echt verdrietig.

Geluk

Rotterdam

De inrichting van de openbare ruimte is ontzettend belangrijk voor het ervaren van levensgeluk. In een artikel legt Thalia Verkade van de Correspondent uit, waarom dat zo is. (Ook als je een auto nodig hebt, stem voor wandelen of fietsen, 15 maart 2018)
Naar andere mensen kijken en zelf gezien worden, de mogelijkheid die dit inhoudt om anderen te ontmoeten, is zelfs een basisbehoefte van de mens, volgens de, door haar aangehaalde, Amerikaanse journaliste Jane Jacobs.

Hoe het niet moet valt het best te illustreren aan de hand van veel Amerikaanse steden, wijken, suburbs en dorpen, die zo ontworpen zijn dat het onmogelijk is om er te wandelen en levensgevaarlijk om er te fietsen. De openbare ruimte is er alleen voor de auto. Een ander mens op straat tegen komen is er niet meer bij. Het gevolg: buren kennen elkaar niet, iedereen woont in een isolement en lichaamsbeweging kun je alleen in de sportschool krijgen. Wantrouwen, eenzaamheid en vervreemding zijn het gevolg. (Geen wonder dat veel Amerikanen hechten aan hun wapens.)

Dat de openbare ruimte zo veel invloed heeft op de gedragingen en gevoelens van mensen is natuurlijk volstrekt niet nieuw. Machthebbers maken en maakten van deze inzichten gebruik om hun macht te tonen met grote hoge paleizen en hun onderdanen nietigheid en machteloosheid in te peperen op uitgestrekte winderige pleinen en brede boulevards. Eentonige en saaie straten en huizenblokken dragen ook niet bij aan een gevoel van geborgenheid en geluk. Mensen voelen zich beter thuis in wat kleinere , gevarieerde straten en met bomen omzoomde pleintjes.

Vreemd eigenlijk dat er in ons land toch nog steeds saaie en eentonige huizenblokken worden neergezet, winderige pleinen en winkelcentra worden ontworpen en het groen in (nieuwbouw)wijken vaak uit kale grasveldjes lijkt te bestaan.

Toch mogen we over het algemeen niet klagen in Nederland. Door de betrekkelijke kleinschaligheid van onze steden en dorpen en door het in de 70er en 80er jaren afgedwongen beleid om oude stads- en dorpskernen te behouden en de voetgangers en fietsers een plaats op straat te gunnen, valt het op de meeste plekken best mee.
In die zin leven wij in een gelukkig en tevreden land.

Politiek correct

London – Versie 2

Onlangs is er op verschillende fronten ophef ontstaan over kunst en kunstenaars. Toen Lucebert bleek nazi sympathieën te hebben gehad, vroegen sommigen zich af of ze zijn gedichten nog wel konden waarderen. Het beeld van de koloniaal bestuurder en slavenhandelaar  Maurits, zou verwijderd zijn zijn uit het door hem gestichte museum. Dit ter verontwaardiging van velen, die meenden dat hiermee de geschiedenis onrecht werd aan gedaan. Een schilderij van John Waterhouse dat opeens aangemerkt werd als softporno en daarom naar het depot verbannen zou zijn. Het schilderij Thérèse Dreaming van Balthus dat volgens een groot aantal petitie ondertekenaars verwijderd zou moeten worden uit het Metropolitan in New York “omdat (het schilderij) gegeven het huidige klimaat rond aanrandingen en beschuldigingen, voyeurisme romantiseert.”  De grootste gemene deler in al deze kwesties is, lijkt mij, of de kunstwerken of de kunstenaar wel (of niet) politiek correct is.

Nu ben ik zelf een groot voorstander van politieke correctheid, (wat iets heel anders is dan wegkijken of goedpraten wat niet goed te praten valt), maar voor de kunst lijkt mij dit een weinig vruchtbaar criterium. Definities en criteria van wat nu wel of niet echte kunst is zijn zo wie zo problematisch. De meest armzalige definitie van kunst die ik ooit hoorde was dat kunst datgene is wat door de kunstcritici als zodanig wordt beschouwd. De intrinsieke waarde van een kunstwerk wordt in die visie dan ook vanzelfsprekend door de markt bepaald.

Kunst verwart, kunst geeft een esthetisch genoegen, een sublieme ervaring, of roept stille verwondering op. Kunst wekt afschuw, maakt vrolijk of vervreemdt. Kunst stemt tot nadenken, schuurt of toont ons een nieuwe dimensie van de werkelijkheid. En sommige kunst laat ons ook volkomen onverschillig. En het fijne is dat dit voor een groot deel ook een subjectieve ervaring is. Wat de één ontroert, laat de ander koud, waar de één van geniet, word verafschuwd door de ander. Wat mij betreft mag alles in de kunst, maar laat het vooral niet politiek correct hoeven zijn.

De foto boven, bracht mij in verwarring. Wat zien we hier? Het tafereel van een recente aanslag (de rook), een dansfeestje (de twee meisjes links) of misschien een toeristische attractie (de mensen rechts en de fotograferende persoon midden achter). Bij navraag bleek het een “damp”- installatie buiten het Tate-Modern in Londen. Kunst dus.

Mijn moeder in 1926

Puffing Billy – Versie 2

Al dagen is Anneke opgewonden. Binnenkort mag ze naar de grote school. Ze is er vol van. ‘Dan ben ik echt groot hè moeder, als ik naar school mag en dan mag ik ook later naar bed hè moeder? En waarom mag Tjiep (de beer) niet mee naar school, want die moet toch ook leren? Ik kan al lezen hè moeder, net als Aaltje, die zit al in de tweede klas.’ Anneke ratelt aan één stuk door.

Dan is de grote dag aangebroken.’s Morgens bij het aankleden mag Anneke haar nieuwe jurk aan die moeder voor haar heeft gemaakt. Ook krijgt ze een mooie strik in het haar en heeft vader haar schoenen nog eens extra gepoetst. Stilletjes zit ze aan het ontbijt en treuzelt met haar boterham.‘Wat is er met mijn kindje?’ vraagt moeder bezorgd, ‘ben je ziek?’ Anneke kijkt bedrukt, maar geeft geen antwoord. Dan na tien minuten staat vader op en kondigt aan dat hij naar school gaat. Vader is hoofd van de school en moet natuurlijk op tijd zijn. De school is naast het huis en door het raam is te zien dat er al een paar kinderen op het schoolplein staan.

Vader trekt zijn jas aan en pakt zijn tas. ‘Zo Anneke, ga je mee met vader?’, vraagt hij. Dan gaan Anneke’s lipjes trillen. ‘Ik wil bij moeder blijven’ zegt ze zachtjes ‘Wil je dan niet naar school toe’ vraagt vader. ‘Jawel’ zegt Anneke, ‘maar…maar…’ en dan begint ze onbedaarlijk te snikken. Moeder beduidt vader dat hij maar vast moet gaan. Als vader weg is neemt ze Anneke op schoot. “Wat is er met mijn meisje’ vraagt ze lief, ‘waarom wilde je niet met vader mee?’ ‘Maar moeder, dan ben jij zo alleen als vader en ik allebei naar school zijn. Dan kan je met niemand praten, als ik er niet ben.’ Moeder weet haar gauw gerust te stellen. Piemelienke (de kat) hoeft niet naar school en kan moeder mooi gezelschap houden. En voor je het weet zijn Anneke en vader weer thuis voor het middageten.
De traantjes drogen nu snel en even later brengt moeder een huppelende Anneke naar school.

Sentimenteel

IMG

In de aanloop naar kerstmis en tijdens de kerstdagen heb ik last van sentimentaliteit. Daar ben ik niet de enige in, getuige de eindeloze sentimentele kitsch kerst hits waar nergens aan te ontkomen valt. Of het nu om de “herdertjes bij nachte” gaat of over “Rudolf the rednoosed rendeer”, telkens wordt ons een onschuldig, vredig en arcadisch landschap voorgetoverd, met sneeuw, sterren, engelen en klokkengelui, net als op de kerstkaarten die we via whatsapp of nog ouderwets in de brievenbus krijgen.

Als kind was ik ambivalent over Kerstmis, al wilde ik dat lange tijd niet toegeven. Aan de ene kant was ik onder de indruk van de kerstboom, de kaarsjes, het lekkere eten en de speciale aandacht die onze ouders voor ons hadden door samen de kerstboom te versieren en de bijbelse kerstverhalen van Jozef en Maria, de geboorte van Jezus, de os en de ezel, de herdertjes en de drie koningen te vertellen. Diep in mijn hart vond ik het echter allemaal schijnheilig gedoe. Waarom alleen tijdens de kerstdagen die gewijde sfeer? Waarom moesten we speciaal deze dagen vooral lief zijn voor elkaar en geen ruzie maken? Waarom aten we extra lekker terwijl het feest toch ging om naastenliefde en dan vooral voor arme mensen?

Later vond ik het familie kerstfeest vooral beklemmend. Het godsdienstige element van de kerstviering hadden mijn ouders al lang geleden losgelaten, daar lag het niet aan. Elk jaar op kerstavond aten we samen met het hele gezin. Het was dan de bedoeling dat het gezellig en ongedwongen was. Dat was het nooit. Er hing spanning. Dezelfde spanning die ik als kind had gevoeld. Het moest allemaal harmonieus en vredig zijn en bovendien van een vaag onuitgesproken ethisch en intellectueel niveau.

Mijn ouders zijn nu al jaren dood en de rest van het gezin is min of meer uit elkaar gevallen. Geen gezamenlijke feestdagen meer. De herinnering aan de beklemming vervaagt. Daarvoor in de plaats komt heimwee naar iets wat er nooit was. Sentimenteel? Jazeker.